|
Wat is het doopsel van de belijdenis door Johannes?
Johannes de Doper was een dienaar van de
Heer, die 6 maanden vóór Jezus geboren werd, en die zoals in Maleachi
voorspeld werd, de laatste Profeet in het Oude Testament was. "Gedenk
der wet van Mozes, Mijn knecht, die Ik hen bevolen heb op Horeb aan gans
Israel, der inzettingen en rechten. Ziet, Ik zende ulieden den profeet
Elia, eer dat die grote en die vreselijke dag des HEEREN komen zal. En
hij zal het hart der vaderen tot de kinderen wederbrengen, en het hart
der kinderen tot hun vaderen; opdat Ik niet kome, en de aarde met den
ban sla." (Maleachi 4:4-6)
Toen Jezus geboren werd, verbandden de mensen van Israël de woorden van
God's verbond en aanbaden vreemde goden. Zij offerden de blinden en bevlekten
als offer, en maakten de tempel van God een plaats van de handel. Jezus
Christus is in de Wet van Mozes en de Profeten voorspeld geworden. De
Wet geeft de mensheid de kennis van de zonde, hun tonend hoe zondig zij
zijn (Romeinen 3:20). Het is een zonde om niet alle dingen die in de boeken
van de Wet geschreven staan, te gehoorzamen, uit te voeren.
In het Oude Testament bracht een zondaar, die een van deze dingen van
de Wet misachtte, een offer voor het tabernakel en legde zijn handen op
het hoofd van het zondeoffer om zijn zonde eraan door te geven, en slachtte
het zonde-offer om zo vergeven en herenigd te worden met God. Dan nam
de priester iets van het bloed en deed dit op de hoorns van het altaar
van het brandoffer en goot de rest van het bloed aan de voet van het altaar.
De mensen van Israël konden echter niet van al hun zonden bevrijd worden
door deze dagelijkse offers. Daarom maakte God een permanente wet voor
hen, de Grote Verzoendag. Op die dag gaf God vergiffenis voor hun jaarlijkse
zonden op de tiende dag van de zevende maand. Op die dag nam Aaron, de
hogepriester, twee geiten en trok loten voor de twee geiten, een voor
de Heer en de ander voor de zondebok. Daarna legde hij zijn handen op
het hoofd van de geit voor de Heer om alle jaarlijkse zonden van de mensen
van Israël aan de geit door te geven. Dan slachtte Aaron het en nam het
bloed, en sprenkelde het zeven keer op en voor de genade zetel.
Wanneer hij klaar was met de verzoening voor de heilige plaats, offerde
hij het andere lot. Hij legde zijn handen op het hoofd van de levende
geit, en biechtte alle jaarlijkse zonden van Israël en legde de zonden
op de zondebok, en zond deze, door de handen van een geschikte man, de
woestijn in. Zo konden de Israëlieten van hun jaarlijkse zonden verlost
worden.
Het offer dat volgens de Wet van het Oude Testament geofferd werd, kon
echter niemand volmaakt maken, die jaar in jaar uit steeds hetzelfde offer
aanboden. Het was slechts een schaduw van de goede dingen (de Messias)
die komen zouden. De mensen van Israël wachtten niet op Jezus Christus,
de Verlosser. In plaats daarvan aanbaden zij vreemde goden in een zondige
wereld, en veronachtzaamden zij de woorden van de Profeten in het Oude
Testament.
Aldus voorspelde God dat Hij Johannes de Doper zou zenden, om de rust
in de harten van de Israëlieten voor Hem te herstellen,en om hun harten
voor te bereiden op de ontvangst van Jezus Christus. Voordat Johannes
de Doper Jezus doopte, gaf hij het doopsel van bekering aan de mensen
van Israël in de woestijn van Judea.
Zijn doel om hun met water te dopen, was om hun in het geloof te leiden
en om hun naar Jezus te laten uitkijken die door hem gedoopt zou worden
door het opleggen van handen om alle zonden van de wereld weg te nemen
en gekruisigd te worden om hen allen van de zonden te redden. Hij zei
dat Jezus zou komen en alle onvolledige offers zou wegnemen en een offer
voor de zonden aller tijden zou offeren, net als de mensen van Israël
verlost werden door een zonde-offer zonder smet te brengen, door het opleggen
van hun handen erop, en door het volgens het opofferingssysteem van het
Oude Testament te slachten.
Vele Israëlieten biechtten hun zonden, berouw tonend, en werden door hem
gedoopt. "Berouw" betekent "iemands gedachten terug te laten keren naar
de Heer". Zij kwamen naar Johannes en herinnerden zich de Wet van het
Oude Testament, zij biechtten dat zij slechts zondigen totdat zij stierven.
Zij biechtten ook dat zij, volgens de Wet, nooit met hun goede daden het
koninkrijk der hemel konden binnentreden, en hun gedachten keerden terug
naar Jezus Christus die al hun zonden voor eens en voor altijd zal uitwissen
en de poort naar het koninkrijk der hemel zal openen.
Het doopsel dat Johannes de Doper aan de mensen van Israël gaf, was het
volgende. Hij liet hun biechten hoeveel zonden zij in hun leven zouden
begaan, hij liet hun hiervoor berouw tonen, en hij liet hun naar Jezus
Christus kijken, die door hem, de hogepriester en de vertegenwoordiger
van de mensheid gedoopt zou worden, en daarna gekruisigd om hun allen
van hun zonden te redden, en dan zou hij hen dopen. Dit is de ware bijbelse
belijdenis.
Daarom riep Johannes uit tegen de mensen, "Ik doop u wel met water
tot bekering; maar Die na mij komt, is sterker dan ik, Wiens schoenen
ik niet waardig ben Hem na te dragen; Die zal u met den Heiligen Geest
en met vuur dopen" (Mattheus 3:11). Johannes de Doper keerde de gedachten
van de mensen naar Jezus, getuigde aan hun dat Jezus alle zonden van de
wereld wegnam (Johannes 1:29), en stierf als een martelaar.
|