Search

Preken

Onderwerp 10: Openbaring (commentaren over Openbaring)

[Hoofdstuk 21-1] De Heilige Stad die van de Hemel afdaalt (Openbaring 21:1-27)

De Heilige Stad die van de Hemel afdaalt
(Openbaring 21:1-27)
“En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan. En Die op den troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. En Hij sprak tot mij: Het is geschied! Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet. Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn. Maar den vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood. En tot mij kwam een van de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u tonen de Bruid, de Vrouw des Lams. En hij voerde mij weg in den geest op een groten en hogen berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God. En zij had de heerlijkheid Gods. Haar licht was den allerkostelijksten steen gelijk, namelijk als den steen Jaspis, blinkende gelijk kristal. En zij had een groten en hogen muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welken zijn de namen der twaalf geslachten der kinderen Israëls: van het oosten waren drie poorten, van het noorden drie poorten, van het zuiden drie poorten, van het westen drie poorten. En de muur der stad had twaalf fondamenten, en in dezelve de namen der twaalf apostelen des Lams. En hij die met mij sprak, had een gouden rietstok, opdat hij de stad zou meten, en haar poorten, en haar muur. En de stad lag vierkant, en haar lengte was zo groot als haar breedte. En hij mat de stad met den rietstok op twaalf duizend stadiën; de lengte, en de breedte, en de hoogte derzelve waren even gelijk. En hij mat haar muur op honderd vier en veertig ellen, naar de maat eens mensen, welke des engels was. En het gebouw van haar muur Jaspis; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk. En de fondamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd: Het eerste fondament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcedon, het vierde Smaragd. Het vijfde Sardonix, het zesde Sardius, het zevende Chrysoliet, het achtste Beryl, het negende Topaas, het tiende Chrysopraas, het elfde Hyacinth, het twaalfde Amethyst. En de twaalf poorten waren twaalf paarlen, een iedere poort was elk uit een paarl; en de straat der stad was zuiver goud; gelijk doorluchtig glas. En ik zag geen tempel in dezelve; want de Heere, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam. En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars. En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelve. En haar poorten zullen niet gesloten worden des daags; want aldaar zal geen nacht zijn. En zij zullen de heerlijkheid en de eer der volken daarin brengen. En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams.”
 
 

Exegese

 
Vers 1: En ik zag een nieuwen hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan. En de zee was niet meer.
Dit Woord betekent dat onze Heer God ons Zijn Nieuwe Hemel en Aarde wilt geven als Zijn gave voor de heiligen die deelnamen aan de eerste herrijzenis. Vanaf dit moment zullen de heiligen niet in de eerste hemel en aarde leven, maar in de nieuwe, tweede hemel en aarde. Dit is de zegening die Hij aan Zijn heiligen zou willen geven. God zal deze zegening slechts aan de heiligen geven die hebben deelgenomen aan de eerste herrijzenis.
Degenen die van deze zegening kunnen genieten, zijn de heiligen wiens zonden vergeven zijn door te geloven in het heilige evangelie van het water en de Geest, dat gegeven is door Christus. Onze Heer is de Bruidegom van de heiligen. Vanaf nu zullen alle bruiden gekleed worden door de Bruidegoms bescherming, zegeningen en macht en zullen zij de bruiden zijn van hun Bruidegom het Lam. Ze zullen in gelukzaligheid leven in Zijn glorieuze Koninkrijk.
 
Vers 2: En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is.
God heeft een heilige stad gecreëerd voor de heiligen. Deze Stad is het Nieuwe Jeruzalem, Gods Heilige Paleis. Dit Paleis is uitsluitend voor Gods heiligen bedoeld. En dit werd allemaal gepland voor de heiligen in Jezus Christus, nog voordat onze Heer God het universum schiep. De heiligen kunnen niet anders dan de Heer God te danken voor deze gave van genade en Hem eren door ons geloof.
 
Vers 3: En ik hoorde een grote stem uit den hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn. En God Zelf zal bij hen en hun God zijn.
Vanaf nu zullen de heiligen voor eeuwig met de Heer in Gods Tempel leven. Dit alles is door de genade van de Heer God mogelijk, het is een gave die de heiligen zouden krijgen voor hun geloof in het verlossende Woord van het water en de Geest. Iedereen die gekleed gaat in de zegen van het binnengaan in de Tempel van de Heer om daar met Hem te leven, zullen Hem eeuwig dankbaar zijn en Hem eeuwig eren.
 
Vers 4: En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.
Nu dat God zich bij de heiligen bevindt, zullen er geen tranen van droefheid meer zijn, geen rouw om het verlies van hun geliefden, geen verdrietig gehuil.
Alle ellende van de eerste hemel en aarde zullen uit het leven van de heiligen verdwijnen en hun rest slechts dat zij hun nieuwe gezegende levens kunnen leiden met hun Heer God in Zijn Nieuwe Hemel en Aarde. Onze Heer God werd de God van de heiligen en Hij zal alles nieuw maken. Zo zullen er geen tranen van droefheid meer zijn, geen gehuil, geen dood, geen rouw, geen ziekten. Er zal niets meer zijn dat de heiligen kan kwellen zoals op de eerste aarde.
 
Vers 5: En Die op den troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.
De Heer zal nu alle dingen nieuw maken en een nieuwe hemel en aarde scheppen. Zijn schepping van de eerste hemel en aarde zal verdwijnen en Hij zal een nieuwe, tweede hemel en aarde scheppen. Deze vers vertelt ons dat God de oude wereld niet zal hergebruiken, maar een volledig nieuw universum zal produceren. God zal dus de Nieuwe Hemel en Aarde maken en daar samen met de heiligen leven. De heiligen die deelnamen aan de eerste herrijzenis zullen ook deelnemen aan deze zegen. Dit alles is iets waar de mensheid met zijn menselijke gedachten niet eens over kan nadenken, maar het is wel dat wat God voorzien heeft voor Zijn heiligen. De heiligen en alle dingen zullen God daarom alle heerlijkheid, dank, eer en lof schenken voor dit grote werk.
 
Vers 6: En Hij sprak tot mij: Ik ben de Alfa en de Omega, het Begin en het Einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.
Onze Heer God heeft al deze dingen gepland en volbracht, van het prille begin tot en met het einde. Alle dingen die de Heer gedaan heeft, heeft Hij voor Zichzelf en Zijn heiligen gedaan. De heiligen worden nu ‘die van Christus’ genoemd, en zij behoren nu tot Gods volk. Zij die Gods heiligen zijn geworden door te geloven in het evangelie van het water en de Geest beseffen nu dat ze Hem nooit genoeg zullen kunnen danken voor Zijn liefde en werken alhoewel ze God eeuwig zullen eren en danken.
“Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.” In de Nieuwe Hemel en Aarde heeft onze Heer de fontein van het water des levens aan de heiligen gegeven. Dit is het allergrootste geschenk dat God Zijn heiligen kan schenken. Nu zullen de heiligen voor eeuwig in de Nieuwe Hemel en Aarde leven en van de fontein van het water des levens drinken, waarnaar ze nooit of te nimmer nog zullen verlangen. De heiligen zijn nu Gods kinderen geworden die net als hun Heer God het eeuwige leven hebben en ze zullen met Hem in Zijn gelukzaligheid leven. Ik dank en eer onze Heer God nogmaals omdat Hij ons zo zegent. Halleluja!
 
Vers 7: Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn.
“Die overwint”, verwijst hier naar degenen die hun geloof verdedigden dat door de Heer gegeven is. Dit geloof laat alle heiligen toe de wereld en Gods vijanden te overwinnen. Het geloof dat we hebben in onze Heer God en in de ware liefde van het evangelie van het water en de Geest dat door Hem gegeven is, is hetgeen ons alle zonden van de wereld, het oordeel van God, onze vijanden, onze eigen zwakheden en de vervolging van de Antichrist laat overwinnen.
Ik dank en eer onze Heer God omdat Hij ons dit alles laat overwinnen. De heiligen die in de Heer God geloven zullen door hun geloof de Antichrist makkelijk kunnen overwinnen. Onze Heer God heeft dit geloof aan iedere heilige gegeven opdat ze kunnen overwinnen in hun gevecht tegen al hun vijanden.
God heeft de heiligen nu toegestaan Zijn Nieuwe Hemel en Aarde te erven omdat ze de wereld en de Antichrist met hun geloof overwonnen hebben. Daarom heeft onze Heer God het geloof van overwinning aan Zijn heiligen geschonken: opdat ze Zijn Koninkrijk zouden kunnen erven. Omdat God ons het geloof gegeven heeft waarmee we kunnen triomferen over de Antichrist, is God nu onze God geworden, en zijn wij Zijn kinderen. I dank en eer onze Heer God omdat Hij ons het geloof heeft geschonken waarmee we al onze vijanden kunnen overwinnen.
 
Vers 8: Maar den vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.
Onze Heer God is in wezen de God van de waarheid en van de liefde. Wie zijn dan deze mensen die eigenlijk laf voor God zijn? Dat zijn degenen die geboren worden in de erfzonde en die hun zonden nog niet hebben weggespoeld door Gods Woord van het evangelie van het water en de Geest. En omdat zij in wezen de slechten meer vereren dan God, zijn zij duidelijk Satans dienaren geworden. Omdat zij het slechte vereren boven de Heer God, en de duisternis aanhangen en het meer liefhebben dan het licht, kunnen zij niet anders dan lafhartig voor de Heer God zijn.
God is het licht in Zijn wezen. Het is daarom een vaststaand feit dat deze mensen, die van zichzelf de duisternis zijn, God vrezen. Zoals de zielen van degenen die tot Satan behoren, van de duisternis houden, zo staan zij laf voor God, die het licht Zelf is. Daarom moeten zij met hun slechtheid en zwakheden voor God gaan staan om door Hem vergeven te worden voor hun zonden.
Deze “ongelovigen” zijn Zijn vijanden en de grootste zondaars voor God. Hun harten geloven fundamenteel niet in Gods liefde en in Zijn evangelie van het water en de Geest. Hun zielen behoren toe aan het afschuwelijke, en zij verzetten zich tegen God en de liefde. Zij begaan elke zonde, volgen valse tekenen, vereren allerlei idolen en vertellen vele leugens. En zo zullen zij door Gods rechtvaardige oordeel allen in het meer van vuur en zwavel geworpen worden. Dit is hun straf van de tweede dood.
God heeft deze mensen die lafhartig zijn voor Hem, niet in Zijn Nieuwe Hemel en Aarde toegestaan omdat zij niet geloven in Zijn evangelie van het water en de Geest en ze zijn afschuwelijk omdat zij veranderd zijn in Satans dienaren. Het enige wat Hij hen toestaat, is Zijn eeuwige straf: ze worden allemaal (ook de moordenaars, de seksueel immorele mensen, de tovenaars, de afgoddienaren en alle leugenaars) in het meer van vuur en zwavel gegooid. God geeft hen dus de Hel als tweede dood.
 
Vers 9: En tot mij kwam een van de zeven engelen, die de zeven fiolen hadden, welke vol geweest waren van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u tonen de Bruid, de Vrouw des Lams.
Eén van de engelen die een plaag van de zeven fiolen had meegebracht, zei tot Johannes: “Kom herwaarts, ik zal u tonen de Bruid, de Vrouw des Lams.” “De Vrouw des Lams” verwijst hier naar degenen die de bruiden van Jezus Christus zijn geworden door met hun hart te geloven in het evangelie van het water en de Geest dat door Hem gegeven is.
 
Vers 10-11: En hij voerde mij weg in den geest op een groten en hogen berg, en hij toonde mij de grote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God. En zij had de heerlijkheid Gods, en haar licht was den allerkostelijksten steen gelijk, namelijk als den steen Jaspis, blinkende gelijk kristal.
“De grote stad, het heilige Jeruzalem” verwijst hier naar de Heilige Stad waar de heiligen zullen leven met hun Bruidegom. Johannes heeft een glimp kunnen opvangen van deze Stad en ze was werkelijk prachtig mooi en fantastisch. De Stad was reuzachtig groot, langs binnen- en buitenkant versierd met edelstenen, schoon en licht. De engel toonde Johannes waar de bruiden van Jezus Christus zouden leven met hun Bruidegom. Deze Heilige Stad Jeruzalem die afdaalde van de hemel is een gave die God aan de vrouw des Lams zal schenken.
De Stad Jeruzalem schittert, en het licht ervan is als een waardevolle edelsteen, zoals jasper, doorzichtig als kristal. Daarom zal Gods gelukzaligheid voor eeuwig en altijd bij hen zijn die hier zullen leven. Gods Koninkrijk is die van het licht, dus slechts degenen die vrij zijn van al hun duisterheden, zwakheden en zonden kunnen deze Stad binnentreden. En daarom moeten we het ware Woord van Gods evangelie van het water en de Geest bestuderen, kennen en erin geloven als we in deze Heilige Stad willen leven.
 
Vers 12: En zij had een groten en hogen muur, en had twaalf poorten, en in de poorten twaalf engelen, en namen daarop geschreven, welken zijn de namen der twaalf geslachten der kinderen Israëls.
De poorten van deze Stad werden bewaakt door twaalf engelen en op iedere poort stonden de namen geschreven van de twaalf stammen van de kinderen van de Israëlieten. De Stad had “een grote en hoge muur,” wat ons zegt dat het zeer moeilijk is deze Heilige Stad binnen te gaan. We kunnen daarom onmogelijk verlost worden van al onze zonden voor God door menselijke inspanningen of door materiële dingen uit de wereld die God schiep.
Om verlost te worden van al onze zonden en om Gods Heilige Stad te mogen betreden, is het absoluut noodzakelijk dat we hetzelfde geloof hebben als de twaalf apostelen van Jezus en dat we geloven in het ware evangelie van het water en de Geest. Zodanig zal iemand die niet in het evangelie van het water en de Geest gelooft, deze Heilige Stad nooit kunnen betreden. Daarom heeft God twaalf engelen gekozen om de poorten tot de stad bewaken.
De zin “en namen daarop geschreven” betekent daarentegen dat er al op voorhand beslist is wie de beheerders van deze Stad zullen zijn. Dit zijn niemand minder dan God Zelf en Zijn volk, want de Stad behoort toe aan Gods volk die nu Zijn kinderen zijn geworden.
 
Vers 13: van het oosten waren drie poorten, van het noorden drie poorten, van het zuiden drie poorten, van het westen drie poorten.
Er werden drie poorten geplaatst in het oosten van de Stad, drie in het noorden, drie in het zuiden en drie in het westen. Dit toont ons dat slechts zij die verlost zijn van de zonden en met heel hun hart geloven in het evangelie van het water en de Geest, deze Stad mogen binnentreden.
 
Vers 14: En de muur der stad had twaalf fondamenten, en in dezelve de namen der twaalf apostelen des Lams.
Er werden enorme stenen gebruikt als de fundamenten van gebouwen en bouwwerken. Het woord ‘rots’ wordt in de Bijbel gebruikt om te verwijzen naar het geloof in onze Heer God. Deze vers vertelt ons dat we het geloof moeten bezitten dat Hij aan de mensheid heeft gegeven opdat we de Heilige Stad van de Heer God mogen betreden; het geloof in Zijn volmaakte verlossing van al onze zonden. Het geloof van de heiligen is waardevoller dan de edelstenen van de Heilige Stad. In de vers staat dat de muur van de Stad gebouwd was op twaalf fundamenten en dat op die fundamenten de namen stonden geschreven van de twaalf apostelen van het Lam. Dit duidt erop dat Gods Stad slechts toegankelijk is voor hen die hetzelfde geloof hebben als de twaalf apostelen van Jezus Christus.
 
Vers 15: En hij die met mij sprak, had een gouden rietstok, opdat hij de stad zou meten, en haar poorten, en haar muur.
Om de stad die God bouwde binnen te mogen, moet men het soort geloof hebben dat Hij goedkeurt, het soort geloof waardoor Hij de mens van al zijn/haar zonden zou kunnen verlossen. Er staat hier ook geschreven dat de engel die Johannes toesprak een gouden rietstok had om de Stad op te meten. Dit wil zeggen dat we moeten geloven dat onze Heer ons alle zegens uit het evangelie van het water en de Geest heeft gegeven. Omdat “geloof nu een vaste grond der dingen is, die men hoopt (Hebreeën 11:1)” heeft God ons effectief de Heilige Stad en de Nieuwe Hemel en Aarde gegeven. Dit is grootser dan wat we ooit konden denken.
 
Vers 16: En de stad lag vierkant, en haar lengte was zo groot als haar breedte. En hij mat de stad met den rietstok op twaalf duizend stadiën; de lengte, en de breedte, en de hoogte derzelve waren even gelijk.
De Stad was gebouwd in de vorm van een vierkant. De lengte, breedte en hoogte waren gelijk. Dit vertelt ons dat we allen het geloof van de wedergeboorte als Gods volk moeten hebben door in het evangelie van het water en de Geest te geloven. Onze Heer zal eigenlijk niemand in Zijn Koninkrijk binnenlaten die dit exacte geloof in het evangelie van het water en de Geest niet heeft.
Er zijn veel mensen die vaag denken dat ze de Heilige Stad mogen binnengaan gewoon door Christen te zijn, ook al zijn ze nog vol van zonden. Maar onze Heer heeft de verlossing van de zonden gegeven en Hij maakte slechts degenen die in de waarheid geloven Zijn volk. Deze waarheid is dat Hij alle zonden heeft vergeven door Zijn doopsel op deze aarde en Zijn bloed aan het Kruis. Dit is waar onze Heer ons in wilt laten geloven.
 
Vers 17: En hij mat haar muur op honderd vier en veertig ellen, naar de maat eens mensen, welke des engels was.
De bijbelse betekenis van het nummer vier is het lijden. Het geloof dat de Heer van ons vraagt, is niet iets dat zomaar iedereen kan hebben. Dit geloof kan men slechts hebben door het Woord van God te accepteren, ook al verstaat men het niet volledig. Als Christen is het onmogelijk om Gods Heilige Stad binnen te treden door slechts te geloven in het Kruis van Jezus en dat de Heer onze God en Verlosser is. Weet u wat de Heer bedoelde in Johannes 3:5: “Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Zo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan”? Weet u waarom onze Heer naar deze aarde is gekomen, hij door Johannes werd gedoopt, alle zonden van de wereld met zich mee nam naar het Kruis en Zijn bloed voor ons vergoten heeft? Als u deze vraag kunt beantwoorden, dan begrijpt u waarover ik hier schrijf.
 
Vers 18: En het gebouw van haar muur Jaspis; en de stad was zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk.
In deze vers staat dat het geloof dat ons zal toelaten Gods Heilige Stad te betreden puur en helemaal onwerelds is.
 
Vers 19-20: En de fondamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fondament was Jaspis, het tweede Saffier, het derde Chalcedon, het vierde Smaragd. Het vijfde Sardonix, het zesde Sardius, het zevende Chrysoliet, het achtste Beryl, het negende Topaas, het tiende Chrysopraas, het elfde Hyacinth, het twaalfde Amethyst.
De fundamenten van de muren van de Stad waren bezet met verschillende soorten edelstenen. Dit betekent dat verscheidene aspecten van het geloof in Gods Woord ons kunnen voeden. En deze waardevolle stenen tonen ons de vele zegeningen die onze Heer zal geven aan Zijn heiligen.
 
Vers 21: En de twaalf poorten waren twaalf paarlen, een iedere poort was elk uit een paarl; en de straat der stad was zuiver goud; gelijk doorluchtig glas.
In de Bijbel staat de parel voor ‘de Waarheid’ (Matteüs 13:46). Iemand die werkelijk de waarheid wilt achterhalen zal zonder slag of stoot al zijn/haar bezittingen opgeven om de Waarheid te vinden die hem/haar het eeuwig leven kan geven. Deze vers zegt ons dat de heiligen die de Heilige Stad willen betreden heel veel geduld moeten hebben in de tijd die ze op deze aarde doorbrengen. Ze moeten zich enorm toeverlaten op de kern van hun geloof in de waarheid. Met andere woorden: zij die geloven in Gods Woord van de waarheid zullen zeer standvastig moeten zijn om hun geloof te verdedigen.
 
Vers 22-23: En ik zag geen tempel in dezelve; want de Heere, de almachtige God, is haar tempel, en het Lam. En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is haar Kaars.
Deze passage zegt dat alle heiligen zullen worden aanvaard door Jezus Christus, Koning der koningen. En de Heilige Stad Jeruzalem heeft geen nood aan het licht van de eerste zon of maan want Jezus Christus, het licht van de wereld, zal alles verlichten.
 
Vers 24: En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelve.
Hier wordt gezegd dat de mensen die in het Duizendjarige Rijk leefden, nu ook de Nieuwe Hemel en Aarde zullen binnengaan. “De koningen der aarde” zijn de heiligen die in het Duizendjarige Rijk woonden. Het vers gaat verder: deze koningen van de aarde zouden er “hun heerlijkheid en eer inbrengen.” Dit betekent dat de heiligen met hun verheerlijkte lichamen zullen verhuizen van het Duizendjarige Rijk naar Gods nieuwe Koninkrijk van de Nieuwe Hemel en Aarde.
Om de Heilige Stad Jeruzalem binnen te mogen, moet men wedergeboren zijn door op deze aarde te geloven in het evangelie van het water en de Geest en men moet daarna voor duizend jaar zijn opgenomen in het Koninkrijk van Christus.
 
Vers 25: En haar poorten zullen niet gesloten worden des daags; want aldaar zal geen nacht zijn.
Omdat de Nieuwe Hemel en Aarde met daarin de Heilige Stad, al verlicht is door het heilig licht kan er geen nacht zijn, noch kwade dingen.
 
Vers 26: En zij zullen de heerlijkheid en de eer der volken daarin brengen.
Door Gods ongelooflijke macht komen diegenen die reeds duizend jaar in het Koninkrijk van Christus hebben geleefd nu in aanmerking om te verhuizen naar het Koninkrijk van de Nieuwe Hemel en Aarde waar de Heilige Stad zich bevindt.
 
Vers 27: En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams.
Zowel de Christenen als de niet-Christenen van deze wereld die de waarheid niet kennen van het evangelie van het water en de Geest zijn vreselijke mensen, schenders en leugenaars. Daarom mogen zij de Heilige Stad niet binnen.
Gods Woord laat ons toe hier vast te stellen hoe groot de kracht van Gods evangelie van het water en de Geest wel niet is. Hoewel het evangelie van het water en de Geest aan vele mensen op deze aarde is gepreekt, waren er vele momenten waarop dit evangelie genegeerd en minacht werd, ook door zogezegde Christenen. Maar slechts het geloof in Gods evangelie van het water en de Geest is de ware sleutel tot de Hemel.
Vele mensen kennen deze waarheid nog steeds niet, maar u moet weten dat iedereen die werkelijk gelooft dat Gods evangelie van het water en de Geest de enige echte sleutel is tot de Hemel en tot de verlossing van zijn/haar zonden zodat zijn/haar naam in het Boek des Levens zal worden geschreven.
Als u de waarheid van het evangelie van het water en de Geest accepteert en erin gelooft, dan zult u gekleed gaan in de zegen om de Heilige Stad binnen te mogen.